Bel 0314 389100 of e-mail naar info@prakticon.com

‘Het land spreekt nu over goedgekeurde antipestprogramma’s, in plaats van over kinderen die op hun leraren moeten kunnen rekenen’

Geplubliceerd op: 13-03-2015
Recent uitte Kinderombudsman Marc Dullaert zijn ongenoegen  over de aarzeling op scholen en bij leraren om wetenschappelijk bewezen antipestprogramma’s in te voeren. In lijn met Micha de Winter – zijn gespreksgenoot in het tv-programma Jinek – brengt ook Luc Stevens naar voren dat toetsing van dergelijke programma’s voor gedragsveranderingen altijd betrekkelijk zijn. ‘Dat programma’s leraren kunnen ondersteunen is waar. Maar er is allereerst de kwaliteit van de relatie tussen leraar en leerling. Deze bepaalt of het met een programma wat wordt.’

Toetsing van programma’s voor gedragsverandering levert op statistische gronden meer of minder significante verschillen. Deze significanties zijn altijd betrekkelijk, maar kunnen wel onderscheid maken tussen een programma met een aannemelijke theorie en een dat op goed geluk is ontwikkeld. Om dat eerste gaat het: kunnen we succes van een programma verklaren vanuit een aannemelijke theorie? Het gaat om het inzicht dat leidt tot een goed programma. Dat wordt nooit verwoord. Er wordt in plaats daarvan gesproken over weten­schappelijk bewijs. Met respect, maar sociale wetenschappers leveren nooit bewijs. Het is geen fysica. Een goed geluk programma dat door een leraar met een goede relatie met zijn leerlingen creatief wordt gebruikt, kan een mooi resultaat opleveren. Daar is het de relatie die werkt. Een statistisch significant effectief programma, gebruikt in een matige of gespannen leraar-leerling relatie, werkt niet. Programma-effecten zijn betrekkelijk.

Belangrijke volgende overweging is dat effecten van gedragsprogramma´s zelden of nooit op hun duurzaamheid zijn onderzocht. Langetermijnonderzoek in deze is ook lastig, omdat de omstandigheden niet constant blijven. Dat geeft achteraf voor onderzoekers grote interpretatie problemen. Mij dunkt het van het grootste belang dat het gesprek verschoven wordt naar de kwaliteit van de leraar-leerling interactie en de kwaliteit van de relatie van leraren onderling of de kwaliteit van leraren teams. Programma´s zijn in deze context eventueel behulpzaam, maar vervangen de actoren niet.

De leraar is zelf zijn beste antipestprogramma, zou ik zeggen. (zie bijvoorbeeld “Alleen zij gaat over de streep” op www.hetkind.org , dat in korte tijd 400.000 keer, zeg door alle leraren in Nederland werd gezocht).

Het is de kwaliteit van de relatie van leraren met hun leerlingen die problemen voorkomen kan. Daar ligt een probleem, zo weet ik uit eigen onderzoek. Leraren kijken gemakkelijk weg als leerlingen pesten melden. Dat zegt iets over de betrokkenheid van leraren en over het schoolethos, de waarden waarvoor een groep leraren staat. Leraren nemen hier de vrijheid om geen aandacht aan een pedagogische urgentie te geven. Dat vind ik ernstiger dan de didactische vrijheid van programmakeuze.

Een veilig en ondersteunend klimaat in klas en school gaat uit van de leraren van die school, niet van gedragsprogramma’s. Dat programma’s leraren kunnen ondersteunen is waar. Maar er is eerst de kwaliteit van de relatie. Deze bepaalt vervolgens of het met een programma wat wordt.

De discussie is er wat mij betreft niet een van dit of dat programma, maar van de pedagogische opdracht van onderwijs. Daar is de leraar met zijn waarden en overtuigingen aan zet. Dit perspectief zou naar mijn smaak meer ruimte en meer mogelijkheden bieden om op te komen voor kinderen. Het land spreekt nu over goedgekeurde antipestprogramma’s, dit wil zeggen over statistische significanties, in plaats van over kinderen die op hun leraren moeten kunnen rekenen.

    Delen via: