Bel 0314 389100 of e-mail naar info@prakticon.com

21st century-skills: hoe leer je leerlingen meer dan alleen je vak

Geplubliceerd op: 07-10-2014

De directeur van een autoschadebedrijf zit in gesprek met een klant. Tijdens dit gesprek wordt hij gestoord door zijn stagiair: “Meneer, ik kan mijn gereedschap niet vinden!”.

Wie af en toe spreekt met stagebedrijven en vervolgopleidingen herkent dit voorbeeld. Leerlingen zijn geneigd af te haken wanneer ze iets niet snappen of wanneer ze niet weten wat ze moeten doen. Als het gaat om de zogenaamde 21th-century-skills zijn pro-activiteit en probleemoplossend vermogen twee belangrijke. Maar leer je leerlingen deze vaardigheden?

Helpen we niet te veel?

Wat zien we in de lespraktijk nogal eens? Leerlingen zijn gewend dat de docent altijd klaar staat. Hij/zij hoeft niet na te denken, steekt een vinger op en wacht tot de docent komt helpen. De docent zien we vervolgens deze hulp bieden door antwoord te geven op vragen of leerlingen uit te leggen wat ze moeten doen. Deze werkwijze is een belemmering voor het ontwikkelen van zelfstandigheid, zelfredzaamheid en pro-activiteit bij leerlingen. Het lijkt paradoxaal; als docent behoor ik leerlingen toch te helpen met hun vragen?

De ‘werkorder’

Wat we leerlingen zouden kunnen leren is het omgaan met de dagelijkse tegenslagen: even niet weten hoe het moet, spullen niet kunnen vinden of de spreekwoordelijke draad kwijt zijn. Van de beroepspraktijk kunnen we leren dat leerlingen moeten kunnen werken met een zogenaamde werkorder, zoals bijvoorbeeld in de zorg, in de bouw of in de autobranche. De opbouw van deze werkorders maakt dat leerlingen zichzelf kunnen sturen in het uitvoeren van de opdracht.

Vertaald naar de lespraktijk ziet dat eruit als volgt. In plaats van het geven van alleen de basisopdracht, bijvoorbeeld: “Maak opgave 13”, omkleed je deze opdracht met extra informatie die maakt dat leerlingen zelf verder kunnen wanneer iets niet lukt, of wanneer de opdracht klaar is. Daarbij is essentieel dat leerlingen “het nut” van de opdracht ervaren: waar doe ik dit voor?

Het geven van complete instructie voldoet aan 6 checkpunten:

  1. Wat moet de leerling doen?
  2. Hoe moet de leerling het doen?
  3. Hoe lang heeft de leerling de tijd?
  4. Welke hulp kan de leerling krijgen?
  5. Wat wordt er gedaan met de opbrengst / wat zijn de beoordelingscriteria?
  6. Wat moet de leerling doen wanneer het werk af is?

De winst voor de leerling en voor de docent

Wat gebeurt er in de les als de docent de instructie geeft aan de hand van deze zes checkpunten? De leerling is actiever, hij/zij hoeft immers niet te wachten als het even vast loopt. Het aantal ‘vingers’ vermindert. De docent heeft ruimte om te sturen op het proces: zorgen dat leerlingen actief aan het werk zijn. Inhoudelijke vragen zijn er minder, en als die er zijn heeft de docent nu de ruimte om die te beantwoorden, mits de leerling natuurlijk de inhoudelijke vraag zelf kan oplossen.

Geef geen antwoord (stel liever een vraag)

Als docent stuur je dit proces door niet direct antwoord te geven op de vraag van de leerling, maar door het stellen van een wedervraag. Denk hierbij aan vragen als:

  • Waar staat wat je moet doen?
  • Wat herken je?
  • Welke stappen kan je nemen?
  • Over welke tekst/formule gaat dit?
  • Vat eens samen in een woord?
  • Wat is de hoofdzaak en wat de bijzaak?

Motivatie of discipline?

Door leerlingen te activeren tijdens het leerproces krijgen leerlingen meer zelfdiscipline en zelfregulatie. Hun houding zal daardoor pro-actiever zijn en het probleemoplossend vermogen zal toenemen. Mijn stelling is deze:

Leerlingen die stoppen bij tegenslag zijn over het algemeen niet ongemotiveerd, maar ongedisciplineerd.

Docenten hebben een taak om leerlingen deze discipline bij te brengen door het geven van complete instructie en door het stellen van activerende vragen.

Wat werkt voor jou om leerlingen meer zelfstandig te laten werken?

 

    Delen via: